96KM Endure trail
“Voel maar eens hoe het is om langer dan tien uur continu op de been te zijn, in verzwaarde omstandigheden.” Gewapend met deze woorden van mijn trainer Maub schreef ik me in voor mijn eerste officiële trail-ultramarathon. Ik zocht een wedstrijd die lang genoeg was, met flink wat hoogtemeters, en die in mijn zomervakantie viel. Na lang zoeken vond ik de perfecte uitdaging: de Endure Trail 96 km in Fårevejle, Denemarken. De race bestond uit drie ronden van 32 kilometer over een gevarieerd parcours met gravel, keien, zand, weilanden en bospaadjes, goed voor in totaal zo’n 2300 meter hoogteverschil. Een perfecte kans om zowel mentaal als fysiek tot het uiterste te gaan. Tijd om te trainen!
Op 16 augustus was het zover. Om 08:32 haalde ik mijn startnummer op en leverde mijn grote IKEA-opbergdoos in gevuld met eten, drank, gelletjes, medicatie, batterijen, hoofdlampjes, reserveschoenen… noem maar op. Ik was klaar voor een lang avontuur. Zonder supportcrew stond ik aan de start, nog met een lichte twijfel of het maagvirus dat ik een week eerder had opgelopen tijdens een hittetraining in Azië me nog zou dwarszitten. “Niet over nadenken. Iedereen appen dat je de komende 15 uur offline bent, en gaan!”
Om 09:00 klonk het startschot. Met een groep van twaalf vertrokken we. De zon kwam net op boven de Deense heuvels en schitterde over het water. Al in de eerste kilometer liepen we over een frustrerend keienstrand (gelukkig hoefden we dat maar drie keer te doen). Het geklaag begon al snel, een goede manier om via enkelpijn-bonding meteen nieuwe loopmaatjes te maken. Voor ik het wist, stond er al acht kilometer op de teller. Het parcours was zwaar, met steile klimmetjes en verraderlijke ondergronden, maar de natuur maakte alles goed. De eerste ronde liep ik in één ruk door, samen met een klein groepje, en na 32 kilometer nam ik een korte pauze. Ik voelde me fris, fit, en klaar voor ronde twee. “We zitten op een derde!” Even insmeren, eten, drinken, en door.
Dat ging zo’n 14 kilometer goed, tot het Aziatische maagvirus besloot om revanche te nemen.
Hevige maagkrampen, overgeven, diarree en duizeligheid dwongen me meerdere keren tot stilstand. Het soepele tempo van de eerste ronde was verdwenen; ik stond stil, op het punt om op te geven. Wat me nog op de been hield, was de gedachte: “Je hebt ervoor betaald — dus leuk vinden zal je.” Na een moeizame tweede ronde stortte ik neer bij de eindpost, waar de derde ronde begon. Ik graaide wat Rennies en krentenbollen uit mijn IKEA-krat, pakte een natte handdoek en ging liggen. Rennen had geen zin, maar opgeven wilde ik ook niet. Mijn plan: een powernap, dan weer door. Na dertig minuten op een bankje besloot ik tegen mijn lichaam in te gaan en begon aan ronde drie.
En een wonder mag het heten: de powernap had precies genoeg energie gegeven. Ik liep de derde ronde zelfs sneller dan de eerste! Ik vloog over keien en zandpaden, terwijl de schemering inviel. Van de twaalf starters waren er nog maar zeven over. We kregen instructie onze hoofdlampjes aan te doen, en met een felle witte straal rende ik door donkere bossen, soms letterlijk tegen een koe aan (sorry). Maar niet veel later ging de lamp uit: de avond was zó mooi dat ik in het zachte licht van de zonsondergang verder liep. Het uitzicht liet mijn maagklachten verdwijnen; ik bleef maar rennen.
Met nog tien kilometer te gaan, en het besef dat ik de race zou uitlopen, vertelde een vrijwilliger me dat ik derde lag. Derde?! Met mijn powernap en maagproblemen?! Blijkbaar wel. De rust had me superkrachten gegeven. Na 14 uur en 36 minuten (9:07 min/km inclusief rust) kwam ik over de finish. Op het podium kreeg ik lokale Deense biertjes en een daverend applaus van de vrijwilligers die me hadden zien vechten.
Ik kwam van ver, ik ging diep, maar wat een vertrouwen gaf dit voor de 100 km. En een onvergetelijke ervaring. Op naar de volgende!